writing spaces . poetry / publications . painting

 

 

 

 

/poetry.literature  A B C

 

   
uit: een hoofd vol storm, 2015    
     

I

Sinds enkele weken vul ik dit schrift

met zinnen die jij niet zult lezen.

Jij hebt je afgewend en staart

naar waar je nagels bloedeloze

strepen trekken op je huid.

Het begin van een nieuwe tijd

en ik hoor daar niet in thuis.

*

De lucht heeft zich gesloten.

Wolkenstroken vormen

een onregelmatig patroon.

Handvlechtwerk. Ergens daarboven

in de stratosfeer weven satellieten

een onzichtbaar schild dat

aanvallen van buiten weert.

*

Alles lijkt precies zoals het was.

De horizon kleurt oranje

boven het wolkendek. Onder ons

wentelen verlichte steden

als pasgeboren sterrenbeelden:

Foetus van het Lam, Mand met Eieren,

de Schepping volgens Michelangelo.

*

Handen die zich naar elkaar

strekken of van elkaar wegdrijven,

buiten bereik. Tektonische platen

op breuklijnen. Vulkanische activiteit.

Ontladingen in de dampkring. Ruw

worden we aan de grond gezet.

Zal jij er bij zijn als ik sterf?

*

In het opflakkerende geknetter

van een kortsluiting, de geur

van ozon, ontstaat de rafelige

contour van een hologram:

een vrouw in bed, halfnaakt

achterover in de kussens,

die langzaam de ogen opslaat. Jij

*

zegt wat maar er is geen geluid.

Davidís Marat, zoiets. Ik weet

wat er staat zonder de brief

te lezen. Weet al wat

het antwoord zijn zal en aarzel

het te geven, stel het uit.

Elk woord dat je me schrijft

*

dringt als een harpoen door mijn huid,

verbindt me aan je met ontelbare

lijnen. Mijn woorden raken verward

in die van jou. We gijzelen elkaar.

Mijn moeders idool, Gregory Peck,

die op de rug van Moby Dick

de diepte in wordt gesleurd.

 

*

 

Asfalt weerkaatst, vermaalt

en verplaatst het licht

van koplampen. Geen markering

meer te lezen. Een verminkte taal

van halve, verwarrende signalen.

Niet je gedrag heeft me beschadigd

maar het gesprek dat volgde.

 

*

 

Je snijdt me los.

De verbijstering compleet.

Ik zweef ontgrond, onthecht

rond in het onverhoeds onnoemelijke,

daar waar alle licht verdwijnt.

Niets om me aan vast te grijpen.

Geen stoel geen pen geen boek.

 

*

 

We zongen vroeger liedjes,

borgden zo wat

in schaarsverlichte kelders

en grotten lag te glanzen.

Lieten de ander toe

in onze geheimen, onze

onbetreden kamers.

 

II

 

Twee werkelijkheden door

elkaar. Nu ben jij het die vertrekt,

schuddend en rillend tegen

de zuidwesterwind. Naast je

je man, je kind op schoot.

Onder je een gesloten

dekbed van wolken waar

hier en daar een gat in valt

 

*

 

of een berg zijn verhoornde kop

door steekt, bij de geboorte

van de aarde opgestuwd en

afgekoeld. Gestolde reus. Titaan.

Duizend kilometer van dat punt

vandaan, waar de landing al

wordt ingezet, stort de regen

met bakken naar beneden.

   

 

archive beeldend werk/visual arts . cv . links . contact . home